Een dagje op en af Londen. Drie vergaderingen en tussendoor naar de tentoonstelling “Hello, my name is Paul Smith” in het Design Museum. Die Mr Smith is een grote held van me. In dat museum wordt zelfs een replica van zijn bureau gebouwd, lees ik in het Eurostar-magazine op weg naar. Alsof hij dood is. But unfortunately, de tentoonstelling begint pas volgende week. Dat heb ik dan weer niet gecapteerd in datzelfde blad. De dame aan de ingang zegt het me bijzonder lief. Alsof ze beseft dat ik er helemaal voor uit Brussel kom en alsof ze de treinmaatschappij ervan verdenkt me te hebben misleid. Heb me daar in de museumshop dan maar een Vitra toolbox gekocht. Van designer Arik Levy, mustard coloured. Om al de rommel die nu op het Eileen Gray nachtkastje rondslingert, te ordenen. Pillen, leesbril, … en ander handig spul voor het nachtelijke vertier. Verzin er je zelf maar iets bij. Intussen regent het cats and dogs in diezelfde stad, zoals je dat ergens van Londen verwacht, maar liever niet hebt wanneer je er zelf twaalf uur, een weekend of a fortnight vertoeft.

Gelukkig brengt de metro me naadloos waar ik heen moet. Van de ene vergadering naar de andere. Van het ene tussendoortje naar het andere. Snel en efficiënt. Met op piekuren een ondergrondse trein per minuut. “Ik ga casual”, had ik tot drie keer toe herhaald aan mijn lief bij m’n vertrek. Dat hij dat intussen wel wist, sneerde hij me toe. De boodschap die ik wilde geven was : het zou wel eens kunnen regenen in Londen en dan heb ik liever dat mijn designer jeans aan mijn lijf plakt, eerder dan dat kostuum van Cafe Costume plakt. Ik hou wel van Paul Smith kostuums, maar ze zijn buiten proportie voor de kleinere mens die ik ben. Klein, maar nog net iets groter als m’n goeie vriend Tony Mary. Zoniet moet ik weer langs naar de voortreffelijke nieuwkuis op de Nieuwe Graanmarkt, beter bekend als le Nouveau Marché au Grain.

Dus zat ik casual een paar keren op de metro. In het spitsuur. En ik was mee. Net als al de rest. Maar ik realiseerde me dat ik op de huid van de rest zat. De schilfertjes van het pellende haar op de zwarte regenjas; een halfgeschoren baard; een hand in een broek die krabde waar het niet betaamde; een vrouw waarvan ik vermoedde dat ze een man is, tenzij ze misschien precies van die Afrikaanse stam is waar de voeten veel (te) groot uitvallen, zelfs met zwarte kousen aan; een kerel waarbij m’n fantasie op hol slaat op net geen drie inch van me vandaag …. Op de huid, het is anders dan die Duitse cocon waarmee ik me dagelijks naar het werk begeef.

Ik zit in St. Pancreas en droog m’n doorweekt jasje. Een zomers regenjasje, niet geschikt voor dit tussenseizoen. Zeker niet als het regent in een stad als London. Ik bestel me een Belgian beer, en schrijf het van me af, beste lezer. Op de huid zitten, het is een verhaal. En daar maakt Eurostar dan weer een boeiende promo mee.

Ik duik de tunnel in.

Unknown