Ik was onlangs te gast in Oostende als panellid tijdens een middag georganiseerd door Vrijstaat O. Centraal in de debatten stond de identiteit van een stad. Te gast waren aangespoelde Oostendenaars als Martin Heylen en Guy Polspoel en weggespoelde Oostendenaars als Wendy Van Wanten en ikzelf.

Het interview verplichtte me om te verwoorden waarom ik Oostende als een deel van mezelf beschouw.

Oostende is een bijzondere stad voor me. Het staat symbool voor mijn coming of age. Vanuit het kleine Gistel was het de eerste grote stad die ik ontdekte. Ik verlegde er mijn grenzen. Op elk vlak. En toen die stad te klein werd, trok ik naar Brussel, die andere liefde van me, die me nu ook wat te klein wordt. Parijs of Londen wenkt.

Maar goed, Oostende is de stad waar ik puberde. Zoals ik zei tijdens het interview, de jeugdjaren hebben de sterkste impact op je volwassen leven. Op je handelen.

Oostende is altijd een stad geweest die me beroerde. Het is letterlijk een terminus : als je toekomt met de trein is het de eindhalte. Als je niet stopt , kom je in zee terecht. Het is het einde van België. Je stopt in Oostende of je verzuipt er.

Elke stad heeft zijn identiteit maar de meeste van die identiteiten zijn sterk visueel georiënteerd. Het unieke aan Oostende is dat het een stad is die al je zintuigen prikkelt. Soms probeer ik tijdens een lezing het publiek diets te maken dat ze al hun zintuigen moeten gebruiken om verhalen nog beter te ontdekken. Oostende is een stad die je ziet, hoort, ruikt, voelt en proeft.

Zien, met de zon die ondergaat aan de horizon.

Hoort, met de wind die botst tegen de appartementen op de zeedijk.

Ruikt, met het heerlijke jodium dat er in de lucht hangt.

Voelt, met het zand dat plakt en prikkelt op je zonnebrandolie.

En proeft, met de garnalen in de tomate aux crevettes.

Ik ben fier op mijn stad.