Het besluit is genomen : ik zal me nog verder lossnijden van Nederland. Amsterdam is opgezegd. Wil men in nieuwe grond wortelen, dan moet men de oude aarde flink van zich afschudden.

I’m an Englishman in New York, zingt Sting over Quentin Crisp. Een Hollander in Parijs ?

Tijdens ons laatste feestje kregen we veel champagne (bijna op) en evenveel boeken. Iemand gaf ons Adriaan van Dis “Stadsliefde, scènes in Parijs” cadeau. We vermoeden dat het Hilde was, maar het kaartje ontbrak. Ik hou er van wanneer boeken  gededicaceerd zijn. Wanneer iemand een voorwoordje in zo’n boek neerpent, dan krijgt dat werk een persoonlijke toets. En je kan het cadeau niet door-schenken. Het is me al een paar keren overkomen dat het kaartje van de vorige schenker nog bij het cadeau stak dat ik ontving. Daarom, als ik iemand een boek offreer, dan schrijf ik daar in grote letters een opdracht in.

Van alle Belgische steden is Brussel de enige stad waar ik wil wonen. Maar heel soms bekruipt me het gevoel om naar het buitenland te verpatsen. Genève heb ik aan me laten voorbij gaan, maar Londen, Parijs, Rome, … zijn steden waar ik best zou kunnen aarden. “Londen is geen stad om te wonen”, zegt mijn vroegere baas Tony me. Misschien heeft hij gelijk. Ik heb veel gereisd. De wereld, maar vooral Europa. Op de blinde vlekken Wenen en Praag na, ben ik in Europa overal wel gepasseerd.  Thuis hebben we een blauw vermoeden dat Parijs een tweede thuis zou kunnen zijn.

van Dis sterkt dat vermoeden nog met zijn boek. De lichtstad Parijs heeft een lyrische betekenis voor me en de schrijver verwoordt dat op net zo’n manier. Deze Hollander schrijft zo mooi. Ik heb wel tien keer vanonder mijn nieuwe leesbril naar mijn partner geroepen, “Wat schrijft hij zo mooi !” Een beetje geaffecteerd en zeker geraffineerd, dat geef ik grif toe. Maar zooo mooi ! En al lezend hoor ik zijn zoetgevooisde bijna even geaffecteerde en geraffineerde stemgeluid.

Mijn geheugen herbergt een woud aan geurstokjes. Pluk ik een aardbei, dan ruik ik de duinen uit mijn jeugd. Mijn Indische tantes zitten in framboos. Honderden neusherinneringen heb ik opgeslagen. Mensen, landschappen, woorden – aan alles kleeft een geur. En aan steden. Eet ik een gepofte kastanje, dan ruik ik Parijs in de winter. Maar hoe ruikt Parijs in de zomer ? Op een windstille dag, als er een deksel vuile lucht over de heuvels hangt. Naar zwervers. En dat is niet één geur, maar een boeket van stanken. Mijn neus plukt ze er een voor een uit.

“Stadsliefde. Scènes in Parijs.”, Adriaan van Dis, Augustus, Amsterdam, 2011.