De Biennale van Venetië is zoals skieën : wie één keer gaat skieën, gaat altijd skieën. Heb ik toch van horen zeggen. En wie één keer naar de Biennale van Venetië gaat, gaat elke keer.

Dit is ‘mijn derde biennale’ en weer was ik van mijn melk.

Voor wie de Biennale van Venetië niet kent : het is een tweejaarlijks kunstevenement waarbij een curotor  (dit jaar Bice Curiger) een thema kiest. Die curator selecteert dan een rits kunstenaars die hun werk mogen tonen in het Arsenaal. De landen die een paviljoen bezitten in de Giardini sturen een kunstenaar uit eigen land om in dat paviljoen een interpretatie van het thema te geven.

Daarnaast, naar aanleiding van dat alles worden overal in Venetië op tal van plaatsen tentoonstellingen georganiseerd. Ik heb dit jaar alleen het Arsenaal en de Giardini kunnen bezoeken, waardoor ik eigenlijk een reden heb om later dit jaar nog eens terug te gaan.

Ik was van mijn melk, zei ik. Dat heeft alles te maken met wat de Duitsers, de Zwitsers en de Fransen deden in hun respectievelijke paviljoenen.

Duitsland ‘stuurt’ Christoph Schlingensief. Het paviljoen is omgetoverd tot een kerk waar niet God maar een Dictator het de plak zwaait. Doet nadenken over wat religie écht is.  En ’t is even schrikken nu ik dit schrijf : nu ik wat research doe, blijkt dat Schlingensief ‘1960 – 2010’ geworden is !

Frankrijk raakte me omdat het aansluit bij mijn boek ‘Alles is een verhaal’. Een drukpers met honderden foto’s van baby’s die deel uitmaken van de-mallemolen-van-het-leven en elk hun ten minutes of fame hebben. Christian Boltanski vat met z’n drukpers precies wat de  stress of life is. Een stress die je als individu met één druk op een knop een halt kan toeroepen.

En dan was er het Zwitsers Paviljoen met Thomas Hirschhorn.  Ik weet het niet. En dat is net de Biennale.  Gewoon binnen-gaan en onder-gaan.