Ik zit midden in het boek “Consumentengeheimen. We doen wat we doen maar waarom ?” van Madeleine Janssens, Jan Callebaut en Leo De Bock. Later meer daarover. De passage waar ik nu in lees gaat over ochtendrituelen. Over babyvoeding, melk en yoghurt, kledij, schoenen (voor vrouwen), tandpasta … en tandenbeugels.

Wat is de betekenis van tanden en, bij uitbreiding, van de mond ? Volksgezegden geven alvast een indicatie : “de tanden in iets zetten”, “haar op de tanden hebben”, “van zich afbijten”, “mondig zijn” … Het zijn gezegden die verwijzen naar zelfredzaamheid, weerbaarheid en dus naar expansie richting buitenwereld.

Maar laten we toch even verder kijken. De “mond” is eigenlijk de brug tussen de innerlijke wereld van de mens en zijn buitenwereld. Dat is niet alleen fysiologisch zo : via de mond wordt voedsel (“gemaakt” in de buitenwereld) opgenomen om de “inwendige mens te versterken”. Overdaad kan ook langs daar weer het lichaam verlaten … Deze brug speelt ook een rol op het geestelijke vlak : via de mond worden woorden de buitenwereld ingestuurd die een vertaling zijn van onze gedachten en gevoelens, van wat we weten, of net vragen die erop gericht zijn om te weten te komen wat we (nog) niet weten.

Goed verzorgde tanden worden vervolgens gezien als een blijk van gezondheid en zelfs van succes. Ze allemaal netjes geordend op een rijtje hebben, versterkt deze uitstraling alleen maar. En dus dragen jonge tieners een corrigerend tandenbeugel.

Jonge tieners ? Jonge tieners ! Wat is dat dan met al die veertigers rondom mij ? …