Ik werd in mijn leven niet zo vaak geconfronteerd met de dood. Mijn vader overleed toen ik drie jaar was, maar ik was te jong om te beseffen wat er aan de hand was. Mijn moeder was een goeie mama én papa. Mijn best schoolmakker Guy pleegde zelfmoord toen hij zijn legerdienst deed. Hij had net zijn opleiding achter de rug; ik hoorde het nieuws terwijl ik zelf in Turnhout in opleiding zat. En Myriam en Peter waren er plots ook niet meer. Iets met kanker. 

Het leek toen allemaal zo irreëel, en dat is het ook vandaag nog. Als een hoofdstuk weggescheurd uit een boek, dat intussen een plaats kreeg op de plank. Misschien ben ik te rationeel om er mee om te gaan. Wacht ik tot ik weet dat de dood is om het te begrijpen.

Dit weekend las ik het boekje Oscar and the lady in pink. Over een jongen van zeven, die met leukemie in het ziekenhuis ligt. Hij maakt zichzelf wijs dat hij elke dag tien jaar ouder wordt. En iedere dag schrijft hij een brief aan God. Het wordt in je gezicht gegooid. Een kind dat doodgaat en zijn ouders haat omdat ze te laf zijn om de dood voor ogen te zien. Oscar wil dat het onderwerp besproken wordt. Het kind weet dat hij doodgaat, maar zijn ouders willen hem sparen. 

Doodgaan zal altijd een taboe blijven. Misschien hoort dat zo. De meesten vereenzelvigen de ziekte met de persoon. Maar het helpt als je mensen recht in de ogen kan kijken. Ik wist niet goed hoe ik me moest voorstellen tijdens de persconferentie aan de mensen die straks hun verhaal vertellen in Doodgraag leven. Gelukkig hebben zij het me makkelijk gemaakt …

Een knappe foto, denk je dan. Kobe en vijf mensen. Maar vijf van die mensen weten dat ze terminaal zijn. Dit is hun verhaal.