Ik heb deze week de stekker uit Facebook getrokken. Pieter hield net nog een pleidooi over de voordelen van Facebook en werd daarin in tal van reacties op die post gesteund. De discussie gaat vooral over het risico op het nalaten van sporen. Dat je traceerbaar bent en dat werkgevers en diets meer kunnen meelezen. Ik maak me geen zorgen over de sporen die ik nalaat. Ik vind het trouwens jammer dat ik al die sporen niet op één hard schijfje kan schrijven. Het is het mooiste wat ik ooit vriend en vijand kan nalaten. Veel beter dan een urne. Ja, toch ?

Neen, het gaat me om het feit dat alles open-en-bloot moet zijn. Als ik een fictiescenario lees met als titel ‘Goesting’ en dan op Facebook meldt dat ‘Jean Philip goesting heeft’ dan moet god en klein pierke daar een mening over hebben. Uiteraard ik schrijf dat net met een knipoog, maar de ernst waarmee men me (of mijn omgeving) daarover aanspreekt … Just kidding.

Facebook is als leven in een glazen huis. Wat ik doe, zeg, lees en waar ik naartoe ga, … het hangt ad valvas. Maar soms – en tegenwoordig vaker –  heb ik goesting (sorry : zin) om de rolluiken dicht te doen.

Maar wat ik uiteindelijk het meest gênant vond is dat ik vragen ging stellen over het privé leven van anderen. Dat ik vaststelde dat Dries en ik vrienden gemeen hadden waarvan ik het niet wist ‘Hé, Dries, ik wist niet dat je Steven ook kende’. En dat ik aan Raf vroeg of hij zich had geamuseerd op het feestje van Ward wiens foto’s ik op het web had gezien. En dat terwijl Raf uitgerekend géén Facebook heeft. Het moment dat ik Raf de vraag stelde, wist ik dat ik te ver ging.

Dus Facebook ging dicht. Ovenverwijld. In een bui. Maar de beslissing was juist. Zullen al die ‘vrienden’ me nu laten vallen ? M’n vrienden weten waar ik woon. Wip binnen !