Ik was een paar dagen in Londen. In m’n eentje, om van 9 uur ’s morgens tot 8.30 uur ’s avonds les te volgen bij Robert McKee. Veel tijd bleef er niet over, behalve voor food en af en toe een walk.

Op een avond op zoek naar restaurant in de buurt van het hotel belandde ik in wat op het eerste zicht een klein Indisch restaurant was. Achter die kleine gevel bleek een ontzettend groot restaurant te huizen. Toevallig het bijhuis van mijn favoriet Indisch restaurant in Brussel La Porte des Indes.

In je eentje – vermits je niet in de ogen van wie tegenover je zit moet kijken – valt er veel te beleven. Vooral het tafeltje naast me boeide me. Twee koppels, witte hemden en lange lederen jassen en een soort Roby Lakatos-achtig type als gastheer.

’s Anderendaags zat ik in Covent Garden te genieten van een glas wijn en een groepje klassieke muzikanten die speelden op het terras. Na afloop stoof een van de muzikanten af op de man aan het tafeltje naast me. Die was me al opgevallen omdat hij er enerzijds zo jong uitzag maar toch zo geblokt was.

Toeval wil dat ook Roby Lakatos daar weer passeerde en toen ik ’s avonds in St. Pancreas Station op de trein zat te wachten kwam daar weer die geblokte kerel voorbij.

Londen, een miljoenstad en toch loop je steeds opnieuw dezelfde mensen tegen het lijf. Er zit stof in voor een Short Cuts of een Babel.